Betekenis van:
circus

circus (de/het ~ | meervoud circussen)
Zelfstandig naamwoord
  • groep rondtrekkende artiesten
"naar het circus gaan"

Hyperoniemen

circus (de/het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • overdreven gedoe; aanstellerij; aanstellerij; aanstellerij; aanstellerij; chaotische toestand
"het politieke circus"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

circus
Zelfstandig naamwoord
  • met zand bestrooid middendeel in een klassiek amfitheater of in een circus

Synoniemen

Hyperoniemen

circus
Zelfstandig naamwoord
  • Attractie in een circustent waar artiesten van allerlei aard hun kunsten en behendigheden vertonen

Voorbeeldzinnen

  1. De olifanten zijn de hoofdattractie in het circus.
  2. Circus, tentoonstelling
  3. Gezelschapsdieren Quarantaine Circus, tentoonstelling Overige
  4. Naam van het circus of dierennummer
  5. HET CIRCUS of DIERENNUMMER VERLATEN OP
  6. IN HET CIRCUS of DIERENNUMMER BINNENGEKOMEN OP
  7. Eigenaar van het circus of dierennummer
  8. Naam van het circus of dierennummer:
  9. alle dieren in het circus vergezeld gaan van bijgewerkte paspoorten;
  10. INDIVIDUEEL PASPOORT VOOR DIEREN IN EEN CIRCUS of DIERENNUMMER
  11. Adres van de eigenaar van het circus of dierennummer
  12. circusexploitant”: de eigenaar van het circus, zijn vertegenwoordiger of een andere persoon die de algehele verantwoordelijkheid voor het circus draagt;
  13. PASPOORT VOOR VOGELS EN KNAAGDIEREN IN EEN CIRCUS of DIERENNUMMER
  14. speciaal voor het vervoer van circus- of kermismateriaal uitgeruste voertuigen;
  15. circus”: een reizende tentoonstelling of menagerie met één of meer dieren;