Betekenis van:
theater
theater
Zelfstandig naamwoord
- een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
"Wij gaan graag samen naar het theater."
theater (het ~)
Zelfstandig naamwoord
- overdreven gedoe; aanstellerij; aanstellerij; aanstellerij; aanstellerij; chaotische toestand
"wat een theater!"
Synoniemen
- aanstellerij
- aanstelleritis
- komedie
- komediespel
- kunstenmakerij
- poppenkasterij
- toneelspel
- toneel
- circus
- onnatuurlijkheid
Hyperoniemen
Hyponiemen
theater (het ~)
Zelfstandig naamwoord
- de kunst van samenstelling en opvoering van toneelstukken
"van theater houden"
"theater maken"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Voorbeeldzinnen
- Laten we elkaar ontmoeten voor het theater.
- Zoudt ge vanavond naar het theater willen gaan?
- Willen jullie naar de film of naar het theater?
- Bouwen van theater
- Fundação do Teatro Nacional (stichting van het theater S. Carlos)
- AMUSEMENT (waaronder theater, concerten en circussen) (CPC 9619)
- Национална академия за театрално и филмово изкуство „Кръстьо Сарафов” — София (Nationale Academie voor theater en film „Krasyo Sarafov” — Sofia)
- Het beste voorbeeld zou het Europa-Park zijn, waar onder meer het theater van Shakespeare en het ruimtestation MIR zijn nagebouwd en waar de bezoekers zich vertrouwd kunnen maken met milieubescherming bij het bekijken van een vierdimensionale film die in samenwerking met het Wereld Natuur Fonds (WNF) is gemaakt.