Betekenis van:
door

door
Voorzetsel
  • de handelende persoon bij een lijdende vorm
"Het afval wordt wekelijks door vuilnismannen opgehaald."
door
Voorzetsel
  • de oorzaak
"In de herfst heeft de trein vaak vertraging door gladheid van het spoor."
door
Voorzetsel
  • in
"We liepen uren door het park."
door
Voorzetsel
  • tijdens, gedurende
"Het is hier in het weekend veel drukker dan door de week."
door
Voorzetsel
  • doorheen, binnenin van de ene kant naar de andere kant
"Het water stroomt door de leiding."
door
Voorzetsel
  • doorheen, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buiten
"Het valt niet mee de draad door het oog van de naald te steken."
door
Voorzetsel
  • als achterzetsel: doorheen, van de ene kant naar de andere kant, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buiten
"De gang door."
door
Voorzetsel
  • als achterzetsel: van het begin tot het einde, gedurende
"Jantje heeft de hele dag door zitten zeuren."
door
Voorzetsel
  • door ... '''te''' + ''infinitief''; de procedure die gevolgd wordt om het doel te bereiken
"Je kunt de bus laten stoppen door op de knop te drukken."
door
Voorzetsel
  • Belangrijk: strikt gesproken moet zo'n achterzetsel grammaticaal worden opgevat als een doorBijwoord|bijwoord (1.)
door
Bijwoord
  • doorrennen: ''Hij '''rende''' de gang door, en belandde in de keuken.''
door
Bijwoord
  • doornemen: ''Ik '''neem''' de informatie door.''

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Hij is door en door een Amerikaan.
  2. Hij stierf door zuurstofgebrek.
  3. Hij ging door zingen.
  4. Ga door met werken!
  5. Tom wordt gepest door Mary.
  6. Hij rilt door de kou.
  7. Barbara werd door Alister gedood.
  8. Hij reisde door heel Europa.
  9. Gelieve mij door te laten.
  10. Ze ging door met werken.
  11. Mary werd ontvoerd door piraten.
  12. Snij het door de helft.
  13. Je draaft een beetje door.
  14. Ze ging door met werken.
  15. We brachtten de nacht door in Hakone.