Betekenis van:
haken

haken
Werkwoord
  • d.m.v. een haak bevestigen of ophangen
"iets ergens aan haken"

Synoniemen

Hyperoniemen

haken
Werkwoord
  • met of als met een haak vastgrijpen
"blijven haken aan iets"

Hyperoniemen

haken
Werkwoord
  • laten struikelen
"bij het voetballen een tegenstander haken"

Hyperoniemen

haak (de ~ | meervoud haken)
Zelfstandig naamwoord
  • scherpe haak aan een hengelsnoer of een vislijn
"iemand aan de haak slaan"
"5 kilo schoon aan de haak"

Synoniemen

Hyperoniemen

haak (de ~ | meervoud haken)
Zelfstandig naamwoord
  • voorwerp om iets aan op te hangen; gebogen voorwerp om bijv. iets aan op te hangen
"met haken en ogen aaneenhangen"
"de hoorn op de haak gooien/smijten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord