Betekenis van:
hoorn

hoorn (de ~ | meervoud hoorns, hoornen)
Zelfstandig naamwoord
  • uitsteeksel op sommige dierenkoppen; hard, meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
"de hoorn van een olifant/neushoorn"
"iemand op zijn horens nemen"

Synoniemen

Hyperoniemen

hoorn
Zelfstandig naamwoord
  • een hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
"De koe had grote hoorns."
hoorn
Zelfstandig naamwoord
  • een houder met een hoor- en spreekgedeelte van een telefoon
"Hij legde de hoorn direct neer nadat hij hoorde wie er aan de telefoon was."
hoorn
Zelfstandig naamwoord
  • een blaasinstrument dat oorspronkelijk gemaakt werd van een hoorn, maar tegenwoordig vaak van een gewonden koperen buis met een brede klankbeker en ventielen
"Wij kunnen wel aardig op de hoorn spelen."
hoorn
Zelfstandig naamwoord
  • een gedraaide schaal van sommige weekdieren
"Zij vonden allerlei hoorns toen ze langs het strand liepen."
hoorn
Zelfstandig naamwoord
  • gedraaide schaal van sommige weekdieren

Hyperoniemen

hoorn
Zelfstandig naamwoord
  • uitwas die op zo'n hoorn lijkt, b.v. bij insekten

Hyperoniemen

hoorn
Zelfstandig naamwoord
  • een uitwas die op een hoorn lijkt, bijvoorbeeld bij insecten