Betekenis van:
kaken

kaken
Werkwoord
  • de ingewanden van een vis ontdoen
"De haring wordt eenmaal aan boord onmiddellijk gekaakt."
kaak (de ~ | meervoud kaken)
Zelfstandig naamwoord
  • historisch strafwerktuig; Middeleeuws strafwerktuig
"iets/iemand aan de kaak stellen"

Synoniemen

Hyperoniemen

kaak (de ~ | meervoud kaken)
Zelfstandig naamwoord
  • deel v.d. schedel rond de mondholte
"zijn kaken op elkaar houden"
"kaken op elkaar!"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kaak (de ~ | meervoud kaken)
Zelfstandig naamwoord
  • ademhalingsorgaan v.e. vis; kieuw v.e. vis

Synoniemen

Hyperoniemen

kaak (de ~ | meervoud kaken)
Zelfstandig naamwoord
  • deel v.h. gezicht over het kaakbeen
"met rode kaken"
"met beschaamde kaken"

Hyperoniemen