Betekenis van:
kammen

kammen
Werkwoord
  • van haren
"haren kammen"
"je haar achterover kammen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

kammen
Werkwoord
  • met een kam haar in orde brengen
"Zij is bezig haar haar te kammen."
kam (de ~ | meervoud kammen)
Zelfstandig naamwoord
  • instrumentje om het haar mee op te maken
"een fijne/grove kam"

Hyperoniemen

Hyponiemen

kam (de ~ | meervoud kammen)
Zelfstandig naamwoord
  • de lijn die men over de verschillende bergtoppen trekken kan
"over de kam [lopen]"
"op de kam [staan]"

Synoniemen

Hyperoniemen

kam (de ~ | meervoud kammen)
Zelfstandig naamwoord
  • tros bananen
"een kam bananen"

Hyperoniemen

kam (de ~ | meervoud kammen)
Zelfstandig naamwoord
  • onderdeel v.e. snaarinstrument; kam v.e. snaarinstrument

Synoniemen

Hyperoniemen

kam (de ~ | meervoud kammen)
Zelfstandig naamwoord
  • onderdeel v.e. weefgetouw
"alles/allen over één kam scheren"

Hyperoniemen

kam (de ~ | meervoud kammen)
Zelfstandig naamwoord
  • rode, vlezige uitwas op de kop van hoendervogels

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord