Betekenis van:
les

les (de ~ | meervoud lessen)
Zelfstandig naamwoord
  • stuk leerstof als huiswerk
"een les leren/opgeven"
"zijn les kennen"

Hyperoniemen

les
Zelfstandig naamwoord
  • onderricht gedurende een korte tijd
"Tijdens de les wordt spreken niet getolereerd."
les (de ~ | meervoud lessen)
Zelfstandig naamwoord
  • het systematisch overbrengen van kennis en vaardigheden
"les volgen (bij iemand)"
"les geven"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

les
Zelfstandig naamwoord
  • voorschrift, vermaning

Hyperoniemen

les
Bijwoord
  • lesgeven: ''Hij gaf '''les'''.''

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Hij geeft les Engels.
  2. Vandaag is er geen les.
  3. Hoe was de Franse les?
  4. Tom geeft les in sportpsychologie.
  5. De tweede les is zeer eenvoudig.
  6. Tom hoorde Mary in de les snurken.
  7. Ik speel dikwijls voetbal na de les.
  8. Dit was het einde van de les.
  9. Hebt ge een vraag over deze les?
  10. De les begint om tien uur.
  11. Heb je nooit les of zo?
  12. Er waren redelijk wat leerlingen niet in de les vandaag.
  13. Moeten we onze woordenboeken morgen meenemen naar de les?
  14. We hebben elkaar ontmoet in de les Amerikaanse geschiedenis
  15. Indien de leerling beter zijn les kende, zou de leraar hem niet straffen.