Betekenis van:
lijf

lijf
Zelfstandig naamwoord
  • lichaam.
"Hij verzorgde zijn lijf goed."
lijf (het ~ | meervoud lijven)
Zelfstandig naamwoord
  • geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
"niets/weinig om het lijf hebben"
"zich de longen uit het/zijn lijf schreeuwen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik liep vorige week op een feestje Mary tegen het lijf.