Betekenis van:
mat

mat (de ~ | meervoud matten)
Zelfstandig naamwoord
  • vloerkleed van biezen of touw; mat
"iemand op de mat laten staan"
"op de mat"

Synoniemen

Hyperoniemen

mat
Zelfstandig naamwoord
  • in het schaken; mat bij het schaken
"na drie zetten mat zijn"
"mat staan"

Synoniemen

Hyperoniemen

mat
Zelfstandig naamwoord
  • / rechthoekig stuk vloerbekleding
"Ik zal die mat eens goed uitkloppen."
mat
Zelfstandig naamwoord
  • situatie in het schaakspel waarin de koning het schaak niet meer kan ontlopen en het spel hierdoor tevens afgelopen is
"Dit is in drie zetten mat."
mat
Zelfstandig naamwoord
  • biezen zitting van een stoel

Hyperoniemen

mat
Zelfstandig naamwoord
  • bedekking van dijkglooiingen

Hyperoniemen

mat
Zelfstandig naamwoord
  • oude munt
mat
Zelfstandig naamwoord
  • situatie waarbij de koning verkeert in de positie van schaak, waaruit hij zich niet bevrijden kan, waardoor het spel verloren is

Synoniemen

Hyperoniemen

mat
Bijvoeglijk naamwoord
  • weinig licht doorlatend; niet doorzichtig
"mat glas"
"matte ruiten"

Synoniemen

mat
Bijvoeglijk naamwoord
  • zich in het schaakspel een verloren stand bevindend, waarin de koning in de volgende zet geslagen kan worden
"De koning staat mat."
mat
Bijvoeglijk naamwoord
  • zonder uitwerking
"met matte stem spreken"
"een mat gezelschap"

Synoniemen

mat
Bijvoeglijk naamwoord
  • mat, gedempt; mat; zonder glans
"foto's mat laten ontwikkelen"
"mat zilver/goud"

Synoniemen

mat
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet glanzend
mat
Werkwoord
  • enkelvoud verleden tijd van meten

Werkwoord