Betekenis van:
nut

nut (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • baat; staat van functioneel zijn; bestaansreden
"praktisch/maatschappelijk nut"
"ergens nut van hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

nut
Zelfstandig naamwoord
  • baat, voordeel
"Weet jij wat het nut is van die extra uitleg?"
nut
Bijvoeglijk naamwoord
  • bruikbaar of zinvol; dienend; nuttig

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord