Betekenis van:
overgang

overgang (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • tijd aan het einde v.d. vruchtbaarheid; periode v.d. overgang v.d. vrouw
"in de overgang (zijn)"

Synoniemen

Hyperoniemen

overgang (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • plaats waar men een weg of spoorbaan kan oversteken
"Een auto met pech stond dwars op de overgang."

Hyperoniemen

overgang (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • bevordering naar een hogere klas
"De leerling moest hard werken voor zijn overgang naar de vierde klas."

Hyperoniemen

overgang
Zelfstandig naamwoord
  • het overgaan of veranderen in
"De overgang tussen licht en donker is op dit schilderij heel goed te zien."
overgang (de ~ | meervoud overgangen)
Zelfstandig naamwoord
  • het overgaan
"de overgang tussen [binnen en buiten]"
"de overgang naar [een beter leefmilieu/het vasteland]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. OVERGANG
  2. INGANGSDATUM EN OVERGANG
  3. OVERGANG EN INGANGSDATUM
  4. Ingangsdatum en overgang
  5. incl. overgang van 20 s
  6. bij de overgang naar een andere exploitant;
  7. bij de overgang naar een andere exploitant;
  8. De noodzakelijke overgang moet vergezeld gaan van passende maatregelen.
  9. In de nabije toekomst wordt een overgang naar emulsies verwacht.
  10. Overgang van een merk ingeschreven op naam van een gemachtigde
  11. In de nabije toekomst wordt een overgang naar emulsies verwacht.
  12. OVERGANG VAN EEN SECTOR VAN HOOFDSTUK II NAAR HOOFDSTUK I
  13. twee weken vóór overgang naar legfase of verplaatsing naar legeenheid;
  14. Aanbodtabel tegen basisprijzen, inclusief de overgang naar aanbod tegen aankoopprijzen
  15. Die gevallen omvatten minimaal de overgang van klasse van schepen van vijftien jaar oud of ouder en de overgang van een niet-erkende organisatie naar een erkende organisatie.