Betekenis van:
rennen

rennen
Zelfstandig naamwoord
  • hollen; hardlopen
"de kamer uit rennen"
"in paniek naar buiten rennen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

rennen
Zelfstandig naamwoord
  • paardenraces; wereld v.d. harddraafsport; race met paarden

Synoniemen

Hyperoniemen

ren (de ~ | meervoud rennen)
Zelfstandig naamwoord
  • het rennen
"een wilde ren"
"in volle ren"

Synoniemen

Hyperoniemen

ren (de ~ | meervoud rennen)
Zelfstandig naamwoord
  • afgeschermd stuk grond voor dieren

Hyperoniemen

Hyponiemen

rennen
Werkwoord
  • (ongericht) zeer snel lopen
"Je hoeft niet te rennen, we hebben alle tijd."
rennen
Werkwoord
  • (gericht) zeer snel lopen
"Ik ben naar huis gerend."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik heb hem zien rennen.
  2. Hij probeerde de robot te laten rennen.
  3. Ik ben te moe om te rennen.
  4. Honden worden waar mogelijk gehuisvest in rennen in de buitenlucht.
  5. De huisvesting van kwartels in volières of rennen in plaats van in kooien verdient dan ook veruit de voorkeur.
  6. De meeste soorten zijn aangepast om zich in alle richtingen door relatief grote, driedimensionale ruimten te bewegen door middel van een of meer voortbewegingswijzen zoals vliegen, lopen, rennen, zwemmen of duiken, zowel tijdens het foerageren als tijdens de trek.