Betekenis van:
samenwonen
samenwonen
Werkwoord
- als partners ongehuwd samenleven
"samenwonen met iemand"
Synoniemen
Hyperoniemen
samenwonen
Werkwoord
- met elkaar een huis bewonen alsof je getrouwd bent
Voorbeeldzinnen
- Het personeelslid heeft recht op vergoeding van zijn reiskosten, voor zichzelf, zijn echtgenoot en de personen te zijnen laste, die daadwerkelijk met hem samenwonen:
- Indien de ouders niet gehuwd zijn en het kind/de kinderen met beide ouders samenwoont/samenwonen, de volgende gegevens betreffende de andere ouder invullen
- voor de echtgenoot en de ten laste komende kinderen, op voorwaarde dat zij met de GND samenwonen en de verhuiskosten door het Agentschap worden vergoed:
- Wanneer de echtgenoot en de in de zin van artikel 2, lid 2, ten laste komende personen evenwel niet met het personeelslid in de standplaats samenwonen, hebben zij eenmaal per kalenderjaar recht op vergoeding van de reiskosten van de plaats van herkomst naar de standplaats of op vergoeding van de reiskosten naar een andere plaats, voorzover deze de kosten van een reis van de plaats van herkomst naar de standplaats niet overschrijden.