Betekenis van:
scheur

scheur (de ~ | meervoud scheuren)
Zelfstandig naamwoord
  • mond
"je scheur opentrekken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

scheur (de ~ | meervoud scheuren)
Zelfstandig naamwoord
  • barst, spleet
"er zitten scheuren in het wegdek"
"een scheur in iets hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

scheur
Zelfstandig naamwoord
  • een kloof in een vlies of weefsel
"Er zat een scheurtje in zijn jas."
scheur
Zelfstandig naamwoord
  • plaats waar een weefsel of papier uiteengereten is

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Scheur een pagina uit je schrift.
  2. Scheur
  3. Ruptuur/scheur van ligament of pees
  4. Onderzoek van de scheur en de vorm van de randen.