Betekenis van:
spanning

spanning (de ~ | meervoud spanningen)
Zelfstandig naamwoord
  • opgewonden gevoel; zenuwachtigheid
"de spanning was op/van hun/haar/zijn gezicht te lezen"
"spanning en sensatie"

Synoniemen

Hyperoniemen

spanning (de ~ | meervoud spanningen)
Zelfstandig naamwoord
  • het strak zetten of uitzetten
"op spanning"

Hyperoniemen

Hyponiemen

spanning
Zelfstandig naamwoord
  • opgeslagen mechanische energie
"Er staat grote spanning op deze boog."
spanning
Zelfstandig naamwoord
  • een toestand van grote aandacht, meestal bij onzekerheid over de afloop van een gebeurtenis
"Tegen het eind van de wedstrijd was de spanning onder het publiek te snijden."
spanning
Zelfstandig naamwoord
  • potentiële energie van elektrische aard
"Een over een thermokoppel aangelegd temperatuurverschil genereert een meetbaar spanninkje."
spanning (de ~ | meervoud spanningen)
Zelfstandig naamwoord
  • toestand waarin het mogelijk is een elektrische stroom te creëren
"de spanning op het elektriciteitsnet"

Synoniemen

Hyperoniemen

spanning
Zelfstandig naamwoord
  • onenigheid
"De spanning tussen Israel en de Palestijnen is toegenomen."

Synoniemen

Hyperoniemen

spanning
Zelfstandig naamwoord
  • bang zijn voor iets wat staat te gebeuren.

Synoniemen

spanning
Zelfstandig naamwoord
  • bouwwerk tussen en boven twee punten

Synoniemen

Hyperoniemen