Betekenis van:
tand

tand (de ~ | meervoud tanden)
Zelfstandig naamwoord
  • zo'n tand zonder knobbels op de kroon
"je tanden wisselen"
"tussen de tanden fluiten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

tand (de ~ | meervoud tanden)
Zelfstandig naamwoord
  • uitstekend deel van verscheidene werktuigen
"een tandje hoger/lager"
"de tanden van een kam/vork/tandwiel/zaag"

Hyperoniemen

tand
Zelfstandig naamwoord
  • puntig uitsteeksel aan de bek of de kop van sommige dieren

Hyperoniemen

tand
Zelfstandig naamwoord
  • (bij houtbewerkingen) inkeping in een van de stukken, waarin een uiteinde van het andere stuk past

Hyperoniemen

tand
Zelfstandig naamwoord
  • Een hard, wit voorwerp in de mond, meestal in 2 horizontale rijen aanwezig (één in elke kaak) en algemeen gebruikt om te eten
tand
Zelfstandig naamwoord
  • een scherp uitsteeksel aan voorwerpen (bijvoorbeeld aan zagen of tandwielen)

Werkwoord