Betekenis van:
uitdoen

Werkwoord

uitdoen
kleding afleggen
"De stripper deed tergend langzaam haar bloesje uit."
uitdoen
uitschakelen
"Hij deed het licht uit."
uitdoen
uitschakelen
"het licht uitdoen"

Hyperoniemen

uitdoen
uittrekken, afleggen
"'een trui'/'je schoenen' uitdoen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitdoen
uit de grond trekken; rooien
"een boom uitdoen"
"aardappelen uitdoen"

Synoniemen

Hyperoniemen

uitdoen
wegvegen; schoonvegen; uitvegen; uitwissen; uitvegen
"een fout uitdoen"

Synoniemen

Hyperoniemen