Betekenis van:
uitrusten

uitrusten
Werkwoord
  • rusten; uitpuffen
"vakantie nemen om uit te rusten"
"uitrusten van [een inspanning/reis]"

Synoniemen

Hyperoniemen

uitrusten
Werkwoord
  • uitrusten; voorzien van apparaten; voorzien van
"[een auto] uitrusten met [een airbag]"
"een leger goed uitrusten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen