Betekenis van:
universiteit

universiteit (de ~ | meervoud universiteiten)
Zelfstandig naamwoord
  • onderwijs- en onderzoeksinstelling
"aan de universiteit (werken/studeren)"
"op de universiteit (zijn/werken)"

Synoniemen

Hyperoniemen

universiteit
Zelfstandig naamwoord
  • een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
"Hij studeert momenteel informatica op de universiteit van Amsterdam."
universiteit
Zelfstandig naamwoord
  • gebouw v.e. universiteit

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Hij studeert geschiedenis aan de universiteit.
  2. Een aanmerkelijk aantal studenten wil naar de universiteit gaan.
  3. Ze is een net van de universiteit afgestudeerde lerares.
  4. Ik ben tevreden met mijn leven aan de universiteit tot op zekere hoogte.
  5. De professor die het woord nam, is van de Universiteit Boekarest.
  6. Ze was vroeger nogal verlegen, maar sinds ze naar de universiteit is gegaan, is ze echt tot bloei gekomen.
  7. Wat er toe doet is niet aan welke universiteit je afstudeerde, maar wat je geleerd hebt terwijl je er was.
  8. Elke student die afgestudeerd is aan onze universiteit heeft ten minste twee jaar Engels gestudeerd met een persoon die Engels als moedertaal spreekt.
  9. School, hogeschool of universiteit
  10. Bouwwerkzaamheden voor universiteit
  11. Universiteit van Łódź en Technische Universiteit van Łódź.
  12. Universiteit van Tel Aviv (Israël)
  13. CLOETINGH, Vrije Universiteit van Amsterdam
  14. Asachi” Iași (Technische Universiteit „Gh.
  15. Universiteit van Tel Aviv (Israël)