Betekenis van:
wiel

wiel (het ~ | meervoud wielen)
Zelfstandig naamwoord
  • rond voorwerp dat kan draaien; wiel v.e. voertuig
"het vijfde wiel aan de wagen"
"een bed op wieltjes"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

wiel
Zelfstandig naamwoord
  • ronddraaiende schijf voor voortbeweging met minimale weerstand
wiel
Zelfstandig naamwoord
  • een poel net achter de dijk, ontstaan door verspoeling tijdens een dijkdoorbraak

Werkwoord