Betekenis van:
wiel
wiel
Zelfstandig naamwoord
- ronddraaiende schijf voor voortbeweging met minimale weerstand
wiel
Zelfstandig naamwoord
- een poel net achter de dijk, ontstaan door verspoeling tijdens een dijkdoorbraak
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Jij bent het derde wiel aan de wagen.
- Fabrikant van het wiel:
- Onvoldoende speling t.o.v. het wiel.
- Contact tussen wiel en rail
- Vermoeidheidssterkte van wiel- en draaistellen.
- Controle van de binnencontouren van het wiel
- Materiaal waaruit het wiel is vervaardigd:
- Wiel is ernstig vervormd of versleten.
- de materialen waaruit het wiel is gefabriceerd;
- verminderde adhesie tussen wiel en spoorstaaf
- (berekend voor het maximale draagvermogen van het wiel)
- Ontwerpspeling tussen het remfrictiemateriaal en de schijf of het wiel
- Dynamisch gedrag van het voertuig (wisselwerking tussen wiel en spoorstaaf)
- Elk wiel moet vrij om zijn as kunnen draaien.
- Maximum draagvermo gen van het wiel in N