Betekenis van:
zenden

zenden
Werkwoord
  • sturen
"[een bloemstuk] naar [een zieke collega] zenden"
"[een bericht] naar [huis/'de krant'] zenden"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zenden
Werkwoord
  • sturen
"Ik had je eergisteren die brief gezonden."

Werkwoord