Vertaling van Schall

Inhoud:

Duits
Nederlands
Hall, Klang [m] (der ~), Laut [m] (der ~), Schall [m] (der ~), Ton [m] (der ~) {zn.}
geluid  [o]
klank [m]
gerucht [o]
In der Ferne höre ich den Laut leise rauschender Wege.
In de verte hoor ik het geluid van zacht ruizende wegen.
hallen, klingen, läuten, schallen, tönen {ww.}
luiden
overgaan
schalmen
kleppen
galmen
beieren
aflopen 


Gerelateerd aan Schall

Hall - Klang - Laut - Ton - hallen - klingen - läuten - schallen - tönen