Vertaling van ausfallen

Inhoud:

Duits
Nederlands
ausfallen, einstürzen, herausfallen {ww.}
uitvallen

ich werde ausfallen
du wirst ausfallen
er/sie/es wird ausfallen

ik zal uitvallen
jij zult uitvallen
hij/zij/het zal uitvallen
» meer vervoegingen van uitvallen

entfallen, verfallen, herunterfallen, abfallen, ausfallen {ww.}
afvallen 
afvallig worden
uitvallen

ich werde ausfallen
du wirst ausfallen
er/sie/es wird ausfallen

ik zal afvallen
jij zult afvallen
hij/zij/het zal afvallen
» meer vervoegingen van afvallen

anfallen, angreifen, ausfallen, befallen, überfallen, attackieren, losgehen auf, anfechten, in Angriff nehmen, sich machen an, sich hermachen über, zerfressen, zerstören, schädigen, den Kampf beginnen {ww.}
tackelen
aantasten 
aangrijpen 
aanvallen 
attaqueren

ich werde ausfallen
du wirst ausfallen
er/sie/es wird ausfallen

ik zal tackelen
jij zult tackelen
hij/zij/het zal tackelen
» meer vervoegingen van tackelen