Vertaling van daß

Inhoud:

Duits
Nederlands
daß {vw.}
dat 
damit, daß
opdat 
da, denn, weil {vw.}
aangezien
daar 
omdat 
vermits
want 
wijl
da, hier, hier ist, siehe {bw.}
hier 
hierzo
kijk
ziedaar
ziezo
alsjeblieft 
alstublieft 
da, dort, daselbst, drüben, da drüben {bw.}
aldaar
daar 
ginder
ginds
daarginds 
d'r
er
'r

Gerelateerd aan daß

damit - da - denn - weil - hier - hier ist - siehe - dort - daselbst - drüben - da drüben