Vertaling van gehen
wir gehen
sie gehen
wij lopen
zij lopen
» meer vervoegingen van lopen
wir gehen
sie gehen
wij gaan
zij gaan
» meer vervoegingen van gaan
wir gehen
sie gehen
wij werken
zij werken
» meer vervoegingen van werken
Voorbeelden in zinsverband
Ich muss schlafen gehen.
Ik moet gaan slapen.
Wann gehen Sie los?
Wanneer vertrekt ge?
Wohin willst du gehen?
Waar wilt ge naartoe?
Wir gehen ins Kino.
We gaan naar de bioscoop.
Sollen wir schwimmen gehen?
Zullen we gaan zwemmen?
Lass mich allein gehen.
Laat me alleen gaan.
Wir gehen am Freitag essen.
We gaan uit eten op vrijdag.
Ich muss zu Bett gehen.
Ik moet naar bed.
Sawako will nach Frankreich gehen.
Sawako wil naar Frankrijk.
Ich möchte ins Ausland gehen.
Ik wil naar het buitenland.
Darf ich nach Hause gehen?
Mag ik naar huis gaan?
Wir müssen zur Schule gehen.
Wij moeten naar school gaan.
Du solltest früh schlafen gehen.
Je moet vroeg naar bed gaan.
Heute Abend gehen wir tanzen.
Vanavond gaan we dansen.
Wo gehen sie jetzt hin?
Waar gaan ze nu naar toe?