Vertaling van schlagen

Inhoud:

Duits
Nederlands
Schlagen [o] (das ~), Klopfen [o] (das ~), Anklopfen {zn.}
geklop [o]
hauen, schlagen, prügeln, klopfen, ausklopfen, aufschlagen, aushämmern, schlagen gegen, prasseln gegen, peitschen gegen {ww.}
meppen
slaan
klappen
kloppen 
houwen

wir schlagen
sie schlagen

wij meppen
zij meppen
» meer vervoegingen van meppen

klopfen, schlagen, pochen, aufschlagen, branden, frappieren, in Erstaunen setzen, überraschen, stutzig machen, ins Auge fallen, auffallen, befallen, heimsuchen, kommen über {ww.}
opvallen
kloppen 
slaan
klappen

wir schlagen
sie schlagen

wij vallen op
zij vallen op
» meer vervoegingen van opvallen