Vertaling van host
Inhoud:
Engels
Nederlands
host {zn.}
gastheer
to accommodate, to entertain, to put up, to host {ww.}
gastvrijheid verlenen aan
The crowd is growing larger and larger.
De menigte wordt groter en groter.
She glimpsed him running through the crowd.
Ze ving een glimp van hem op terwijl hij door de menigte liep.