Vertaling van question

Inhoud:

Engels
Nederlands
question, inquiry, issue, point, query, inquiry {zn.}
vraag [v]
kwestie [v]
That's a good question.
Goeie vraag.
I have a question.
Ik heb een vraag.
to examine, to question, to scrutinize {ww.}
onderzoeken 
examineren
nakijken
nauwkeurig onderzoeken

I question
you question
we question

ik onderzoek
jij onderzoekt
wij onderzoeken
» meer vervoegingen van onderzoeken

I have to examine you.
Ik moet je onderzoeken.
to interrogate, to question {ww.}
een verhoor afnemen
ondervragen
verhoren

I question
you question
we question

ik ondervraag
jij ondervraagt
wij ondervragen
» meer vervoegingen van ondervragen

to dispute, to query, to question, to argue {ww.}
redetwisten over

I question

to interrogate, to query, to question, to quiz {ww.}
overhoren
uithoren
uitvragen

I question
you question
we question

ik overhoor
jij overhoort
wij overhoren
» meer vervoegingen van overhoren

to challenge, to defy, to question, to affront {ww.}
uitdagen
tarten
trotseren
uittarten

I question
you question
we question

ik daag uit
jij daagt uit
wij dagen uit
» meer vervoegingen van uitdagen

to challenge, to question, to contest, to dispute, to protest {ww.}
aanvechten
bestrijden 
betwisten 
tegenspreken 

I question
you question
we question

ik vecht aan
jij vecht aan
wij vechten aan
» meer vervoegingen van aanvechten

to doubt, to question {ww.}
dubben
in dubio staan
twijfelen

I question
you question
we question

ik dub
jij dubt
wij dubben
» meer vervoegingen van dubben

dot, period, point, spot, locus, moment, question, full stop, stop {zn.}
punt 
oog  [o]
spikkel
stip
I agreed with him on that point.
Ik was het op dat punt met hem eens.
In the Netherlands, it is the custom that, when during the construction of a house the highest point has been reached and the roof is ready for tiling, the client treats…
In Nederland is het de gewoonte dat, wanneer bij de bouw van een huis het hoogste punt bereikt is en de dakpannen gelegd kunnen worden, de opdrachtgever de bouwvakkers…
affair, business, case, matter, issue, question, thing {zn.}
zaak 
ding  [o]
aangelegenheid  [v]
affaire  [v]
Let me say one thing.
Laat mij een ding zeggen.
You just have to promise me one thing.
Je moet me alleen één ding beloven.

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

I've got a question.

Ik heb een vraag.

I have a question.

Ik heb een vraag.

Answer the question.

Antwoord op de vraag.

The question is this.

De vraag is dit.

That's a strange question.

Dat is een rare vraag.

This question isn't easy.

Deze vraag is niet makkelijk.

A good question.

Een goede vraag.

That's a good question.

Goeie vraag.

Don't avoid my question.

Ontwijk mijn vraag niet.

Let's begin with that question.

Laten we beginnen met die vraag.

May I ask a question?

Mag ik een vraag stellen?

I don't understand your question.

Ik begrijp uw vraag niet.

This question is not easy.

Deze vraag is niet makkelijk.

I have a stupid question.

Ik heb een domme vraag.

He asked me a question.

Hij stelde me een vraag.


Gerelateerd aan question

inquiry - issue - point - query - examine - scrutinize - interrogate - dispute - argue - quiz - challenge - defy - affront - contest - protest