Vertaling van trouble

Inhoud:

Engels
Nederlands
trouble, annoyance, bother, hassle, inconvenience, irritant {zn.}
stoornis [v]
storing [v]
last
verstoring [v]
hinder 
gêne
overlast
to disturb, to ruffle, to trouble {ww.}
vertroebelen

I trouble
you trouble
we trouble

ik vertroebel
jij vertroebelt
wij vertroebelen
» meer vervoegingen van vertroebelen

to agitate, to alarm, to disturb, to perturb, to ruffle, to trouble, to unsettle, to upset, to worry {ww.}
benauwen
verontrusten

I trouble
you trouble
we trouble

ik benauw
jij benauwt
wij benauwen
» meer vervoegingen van benauwen

to disturb, to incommode, to trouble {ww.}
bezwaren 
lastig vallen 
ongelegen komen

I trouble
you trouble
we trouble

ik bezwaar
jij bezwaart
wij bezwaren
» meer vervoegingen van bezwaren

to bother, to disturb, to hinder, to trouble, to annoy, to encumber, to hassle, to irritate, to inconvenience, to hamper, to baffle {ww.}
storen
belemmeren 
hinderen
verstoren

I trouble
you trouble
we trouble

ik stoor
jij stoort
wij storen
» meer vervoegingen van storen

Do not disturb.
Niet storen.
Nothing will hinder her study.
Niets zal haar studie hinderen.
problem, trouble, issue {zn.}
probleem
opgave [v]
vraagpunt
vraagstuk
Problem solved!
Probleem opgelost!
Is there a problem?
Is er een probleem?
effort, attempt, trouble, endeavour {zn.}
moeite
Thank you for your trouble.
Dank u voor uw moeite.
With a little more effort.
Met een beetje meer moeite.
anxiety, agitation, concern, disquiet, fear, trouble, unease {zn.}
zorg
beduchtheid [v]
ongerustheid [v]
His behavior is my primary concern.
Zijn gedrag is mijn belangrijkste zorg.

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

I'm often in trouble.

Ik zit dikwijls in de problemen.

Whoever causes trouble will be the victim of the trouble.

Wie wind zaait, zal storm oogsten.

What trouble can she cause?

Welke moeilijkheden kan zij veroorzaken?

I'm sorry to trouble you.

Sorry dat ik je stoor.

He has trouble remembering names.

Hij heeft moeite om namen te onthouden.

Thank you for your trouble.

Dank u voor uw moeite.

Tom had trouble accepting Mary's love.

Tom had het er moeilijk mee om Mary's liefde te aanvaarden.

The trouble is he has no money.

Het probleem is dat hij geen geld heeft.

I always have trouble remembering names.

Ik heb het altijd moeilijk om namen te onthouden.

He refuses to become involved in the trouble.

Hij weigert om zich te mengen in de problemen.

I don't want any more trouble with Tom.

Ik wil niet nog meer problemen met Tom.

You'll get into trouble if your parents find out.

Je krijgt problemen als je ouders erachter komen.

I have the same trouble as you have.

Ik heb hetzelfde probleem als gij.

He was always ready to help people in trouble.

Hij stond altijd klaar om mensen te helpen die problemen hadden.

I don't want to get you into trouble.

Ik wil niet dat je in de problemen komt.


Gerelateerd aan trouble

annoyance - bother - hassle - inconvenience - irritant - disturb - ruffle - agitate - alarm - perturb - unsettle - upset - worry - incommode - hinder