Vertaling van vacation

Inhoud:

Engels
Nederlands
vacation, holidays {zn.}
vakantie  [v]
How was your vacation?
Hoe was je vakantie?
I'll be taking a vacation next month.
Ik neem vakantie volgende maand.
vacation {zn.}
vakantietijd
spare time, time off, vacation, holiday, leave, leisure {zn.}
vakantie  [v]
vrije tijd
verlof 
What do you do in your spare time?
Wat doet gij in uw vrije tijd?
The vacation is close to an end.
De vakantie is bijna om.
holiday, vacation {zn.}
vakantie [v] (de ~)
I was abroad on vacation.
Ik was op vakantie in het buitenland.
He enjoys reading novels on holiday.
Hij leest graag romans op vakantie.
holiday, vacation {zn.}
verloftijd
verlof [o] (het ~)

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

How was your vacation?

Hoe was je vakantie?

It'll be summer vacation soon.

Het is bijna zomervakantie.

The summer vacation is over.

De zomervakantie is voorbij.

I was abroad on vacation.

Ik was op vakantie in het buitenland.

I'll be taking a vacation next month.

Ik neem vakantie volgende maand.

The vacation is close to an end.

De vakantie is bijna om.

I'm looking forward to the summer vacation.

Ik kijk uit naar de zomervakantie.

I look forward to the summer vacation.

Ik kijk uit naar de zomervakantie.

When does your summer vacation start?

Wanneer begint je zomervakantie?

We have exams right after summer vacation.

We hebben examens, meteen na de zomervakantie.

Exams are right after summer vacation.

Examens zijn meteen na de zomervakantie.

I'm going to work during the spring vacation.

Ik ga werken tijdens de krokusvakantie.

It will not be long before the winter vacation ends.

Het duurt niet lang meer voordat de winter vakantie afgelopen is.

I worked in a post office during the summer vacation.

In de zomervakantie heb ik op een postkantoor gewerkt.

I'm here on business /on vacation

Ik ben hier voor zaken / op vakantie


Gerelateerd aan vacation

holidays - spare time - time off - holiday - leave - leisureperiod