Vertaling van para
él/ella para
hij/zij/het stopt
» meer vervoegingen van stoppen
él/ella para
hij/zij/het zet stop
» meer vervoegingen van stopzetten
él/ella para
hij/zij/het stopt
» meer vervoegingen van stoppen
Voorbeelden in zinsverband
¿Para servir o para llevar?
Is het om hier te eten, of om mee te nemen?
Uno para todos y todos para uno.
Eén voor allen, allen voor één.
Vivieron felices para siempre.
Ze leefden nog lang en gelukkig.
Para gustos hay colores.
Over smaak valt niet te twisten.
¿Para dónde vas?
Waar gaat ge naartoe?
Quiero algo para beber.
Ik wil iets om te drinken.
¿Para qué quieres eso?
Waar wil je dat voor hebben?
Sí, voy para allá.
Ja, ik kom.
¿Quieres algo para beber?
Wil je iets te drinken?
Quiero algo para leer.
Ik wil iets om te lezen.
Ella cocina para él.
Ze kookt voor hem.
Tomamos sándwiches para desayunar.
We aten sandwichen als ontbijt.
Trabajo para ti.
Ik werk voor jullie.
Sólo para adultos.
Alleen voor volwassenen.
Hay que comer para vivir y no vivir para comer.
Men moet eten om te leven, niet leven om te eten.