Vertaling van para

Inhoud:

Spaans
Nederlands
para, a fin de, por {vz.}
voor 
ten behoeve van
parir, dar a luz {ww.}
bevallen 
parir {ww.}
kalven
dar a luz, parir, engendrar {ww.}
voortbrengen
teweegbrengen
bevallen 
het leven schenken
baren 
parar, detenerse {ww.}
stoppen 
stilstaan
stilhouden
halt houden
blijven staan
afslaan

él/ella para

hij/zij/het stopt
» meer vervoegingen van stoppen

No podía parar de reír.
Ik kon niet stoppen met lachen.
parar {ww.}
stopzetten
buiten werking stellen
stilzetten
afzetten 

él/ella para

hij/zij/het zet stop
» meer vervoegingen van stopzetten

parar {ww.}
stoppen 
stuiten
stilzetten
stilleggen
keren
aanhouden 

él/ella para

hij/zij/het stopt
» meer vervoegingen van stoppen



Voorbeelden in zinsverband

Spaans
Nederlands

¿Para servir o para llevar?

Is het om hier te eten, of om mee te nemen?

Uno para todos y todos para uno.

Eén voor allen, allen voor één.

Vivieron felices para siempre.

Ze leefden nog lang en gelukkig.

Para gustos hay colores.

Over smaak valt niet te twisten.

¿Para dónde vas?

Waar gaat ge naartoe?

Quiero algo para beber.

Ik wil iets om te drinken.

¿Para qué quieres eso?

Waar wil je dat voor hebben?

Sí, voy para allá.

Ja, ik kom.

¿Quieres algo para beber?

Wil je iets te drinken?

Quiero algo para leer.

Ik wil iets om te lezen.

Ella cocina para él.

Ze kookt voor hem.

Tomamos sándwiches para desayunar.

We aten sandwichen als ontbijt.

Trabajo para ti.

Ik werk voor jullie.

Sólo para adultos.

Alleen voor volwassenen.

Hay que comer para vivir y no vivir para comer.

Men moet eten om te leven, niet leven om te eten.


Gerelateerd aan para

a fin de - por - parir - dar a luz - engendrar - parar - detenerse