Vertaling van bien

Inhoud:

Frans
Nederlands
bien [m] (le ~), domaine [m] (le ~), fonds, propriété [v] (la ~), propriété foncière [v] (la ~) {zn.}
goed  [o]
bezitting [v]
landgoed [o]
boerderij  [v]
Il joue très bien.
Hij speelt zeer goed.
Le noir te va bien.
Zwart staat je goed.
bien {bw.}
goed 
nu goed
bien, fort, tout, très {bw.}
bijster
bijzonder 
heel 
erg
terdege
zeer
en fait, en vérité, vraiment, bien {bw.}
echt 
inderdaad
naar waarheid
waarachtig 
waarlijk 
werkelijk 


Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Très bien !

Geweldig!

Il joue très bien.

Hij speelt zeer goed.

Je vais bien, merci.

Ik ben in orde, dank je.

Tout va bien.

Alles is prima.

Eh bien, allons-y.

Nou, laten we gaan.

Le noir te va bien.

Zwart staat je goed.

Tout va bien avec lui.

Er is niets mis met hem.

Les choses se présentent bien.

Het ziet er goed uit.

Je ne vais pas bien.

Het gaat mij slecht.

Il parle très bien anglais.

Hij spreekt zeer goed Engels.

Elle sait fort bien chanter.

Zij kan heel goed zingen.

J'invite qui veut bien venir.

Ik nodig iedereen uit die wil komen.

T'entends-tu bien avec ton patron ?

Heb je een goede verstandhouding met je baas?

Il joue très bien au tennis.

Hij speelt zeer goed tennis.

J'aime bien la lumière des bougies.

Ik hou van kaarslicht.


Gerelateerd aan bien

domaine - fonds - propriété - propriété foncière - fort - tout - très - en fait - en vérité - vraiment