Vertaling van imposer

Inhoud:

Frans
Nederlands
imposer {ww.}
belasting heffen op
aanslaan 
belasten 
veraccijnzen
imposer {ww.}
zich opdringen
imposer, obliger, obliger à {ww.}
dwingen
noodzaken
verplichten
appliquer, imposer, mettre, revêtir {ww.}
aantrekken 
opbrengen
aandoen
opleggen
aanbrengen 
Que vais-je mettre: un pantalon ou une jupe ?
Wat zal ik aantrekken: een broek of een rok?
contraindre, imposer, obliger {ww.}
forceren
opdringen

Gerelateerd aan imposer

obliger - obliger à - appliquer - mettre - revêtir - contraindre