Vertaling van baas

Inhoud:

Nederlands
Engels
baas [m], meester [m], heer, patroon {zn.}
boss 
master 
lord 
Waar is de baas?
Where's the boss?
Laat hem zien wie de baas is!
Show him who's boss!
aanvoerder [m], baas [m], chef [m], hoofd [o], opperhoofd {zn.}
boss 
leader 
chief 
Ik heb met mijn baas geslapen.
I slept with my boss.
Mijn baas was gedwongen ontslag te nemen.
My boss was forced to resign.
aanvoerder [m], baas [m], chef [m], meerdere, superieur {zn.}
superior 
ace
chief 
baas, patroon [m] (de ~) {zn.}
boss
hirer
Je praat alsof je de baas bent.
You talk as if you were the boss.
aanvoerder [m], baas [m], chef [m], gebieder [m] {zn.}
boss 
prefect
master 
head 
governor 
leader 
chief 
baas [m] (de ~) {zn.}
swayer
ruler
leider [m] (de ~), baas [m] (de ~), meester [m] (de ~), meesteres [v] (de ~) {zn.}
leader
Hij is op pensioen, maar hij is nog steeds een echte leider.
He has retired, but he is still an actual leader.
De boosaardige leider van het land was alleen geïnteresseerd in geld.
The evil leader of the country was interested only in money.
kanjer [m] (de ~), baas, joekel [m] (de ~), knaap [m] (de ~), knoeper [m] (de ~), knoert [m] (de ~), knots [m] (de ~), kokkerd, reus, slagschip, lel [m] (de ~) {zn.}
whopper
whacker
man [m] (de ~), baas [m] (de ~), basserool, broger, gabber [m] (de ~), jongen [m] (de ~), kerel [m] (de ~), klant, knaap, manspersoon, meneer [m] (de ~), pief [m] (de ~), vent [m] (de ~), gast [m] (de ~), heer [m] (de ~), pik [m] (de ~), mannetje [m] (het ~), heerschap [m] (het ~) {zn.}
adult male
man

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Waar is de baas?

Where's the boss?

Mijn baas was gedwongen ontslag te nemen.

My boss was forced to resign.

Laat hem zien wie de baas is!

Show him who's boss!

Ik heb met mijn baas geslapen.

I slept with my boss.

Je praat alsof je de baas bent.

You talk as if you were the boss.

Heb je een goede verstandhouding met je baas?

Do you get along with your boss?

Eerlijk gezegd denk ik dat hij een goede baas is.

Frankly speaking, I think he's a good boss.

Mijn baas nodigde me uit voor een etentje.

My boss invited me to dinner.

Ik heb het lef niet om mijn baas te vragen of ik zijn auto mag lenen.

I don't have the courage to ask my boss to lend me his car.

Het is onbeleefd om in het openbaar je baas voor gek te zetten.

It's rude to make fun of your boss in public.

"Onze baas heeft aangedrongen op die prijs," legde de verkoopster uit. "Maar weet u, u hoeft me geen 0,99 in kopeken te betalen. U mag meer betalen als u wilt."

"Our boss insisted on that price," the shopkeeper explained. "But you know, you don't have to pay me 0.99 in kopeks. You can pay more if you like."


Gerelateerd aan baas

meester - heer - patroon - aanvoerder - chef - hoofd - opperhoofd - meerdere - superieur - gebieder - leider - meesteres - kanjer - joekel - knaapeigenaar - persoon - exemplaar