Vertaling van thuis

Inhoud:

Nederlands
Engels
thuis {bw.}
at home
tehuis, thuis {zn.}
home 
Niemand thuis?
Nobody at home?
Ben je thuis?
Are you home?
thuis [o] (het ~), home [o] (het ~), honk [o] (het ~), tehuis [o] (het ~) {zn.}
home
habitation
dwelling house
dwelling
domicile
abode
Ik verveel me thuis!
I'm bored at home!
David is thuis.
David is at home.
thuisbezorgen {ww.}
to have
to give birth
to birth
to deliver
to bear

ik bezorg thuis
jij bezorgt thuis
hij/zij/het bezorgt thuis

I have
you have
he/she/it has
» meer vervoegingen van to have

thuisblijven, thuiszitten {ww.}
to stay

ik blijf thuis
jij blijft thuis

I stay
you stay
» meer vervoegingen van to stay

Moet Tom thuisblijven vandaag?
Does Tom have to stay home today?
Moet Tom thuisblijven vandaag?
Does Tom need to stay home today?

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Niemand thuis?

Nobody at home?

Ben je thuis?

Are you home?

Zult ge thuis blijven?

Will you stay at home?

Was Ken gisteren thuis?

Was Ken at home yesterday?

Is je moeder thuis?

Is your mother at home?

Blijft ge thuis vanavond?

Will you stay at home tonight?

Is je moeder thuis?

Is your mum at home?

Ik verveel me thuis!

I'm bored at home!

David is thuis.

David is at home.

Opvoeding begint thuis.

Education starts at home.

Waart gij gisteravond thuis?

Were you at home last night?

Is je man thuis?

Is your husband at home?

Je bent nooit thuis.

You're never at home.

Thuis blijven is saai.

Staying at home is boring.

Ik was thuis.

I was at home.


Gerelateerd aan thuis

tehuis - home - honk - thuisbezorgen - thuisblijven - thuiszittenwoning - afleveren - blijven