Vertaling van Maai
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
Maria, Marie, Marjon, Mariëtte, Mariëlle, Marieke, Maaike, Maai {zn.}
Maria
Marie
Marjon
Mariëtte
Mariëlle
Marieke
Maaike
Maai {zn.}
Marie
Marjon
Mariëtte
Mariëlle
Marieke
Maaike
Maai {zn.}
Maria heeft blauwe ogen.
Maria heeft blauwe ogen.
Vandaag is Maria treurig.
Vandaag is Maria treurig.
maaien, zichten {ww.}
maaien
zichten {ww.}
zichten {ww.}
ik maai
jij maait
hij/zij/het maait
ik maai
jij maait
hij/zij/het maait
» meer vervoegingen van maaien
Mijn moeder vertelde me het gras te maaien.
Mijn moeder vertelde me het gras te maaien.
Twee keer in de week kwam de tuinman om het gras te maaien, daarom kon ik nooit in het lange gras liggen.
Twee keer in de week kwam de tuinman om het gras te maaien, daarom kon ik nooit in het lange gras liggen.
maai, made, madeworm {zn.}
maai
made
madeworm {zn.}
made
madeworm {zn.}
maaien {ww.}
maaien {ww.}
ik maai
jij maait
hij/zij/het maait
ik maai
jij maait
hij/zij/het maait
» meer vervoegingen van maaien
maaien, afrijden {ww.}
maaien
afrijden {ww.}
afrijden {ww.}
ik rijd af
jij rijdt af
hij/zij/het rijdt af
ik maai
jij maait
hij/zij/het maait
» meer vervoegingen van maaien