Vertaling van Vader

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
vader [m], pater [m] {zn.}
vader [m]
pater [m] {zn.}
Zo vader, zo zoon.
Zo vader, zo zoon.
Zijn vader is Japanner.
Zijn vader is Japanner.
Vader [m] (de ~), God [m] (de ~), heer, Heer [m] (de ~), Onze-Lieve-Heer [m] (de ~), Jahwe, schepper, opperheer, heiligmaker, de Schepper, Opperheer, Jehova, Jahweh [m] (de ~) {zn.}
Vader [m] (de ~)
God [m] (de ~)
heer
Heer [m] (de ~)
Onze-Lieve-Heer [m] (de ~)
Jahwe
schepper
opperheer
heiligmaker
de Schepper
Opperheer
Jehova
Jahweh [m] (de ~) {zn.}
Glimlachend begroette ze de heer Kato.
Glimlachend begroette ze de heer Kato.
Hij is zeker weten geen heer.
Hij is zeker weten geen heer.
vader [m] (de ~), stichter [m] (de ~), oprichter [m] (de ~), grondvester, grondlegger [m] (de ~) {zn.}
vader [m] (de ~)
stichter [m] (de ~)
oprichter [m] (de ~)
grondvester
grondlegger [m] (de ~) {zn.}
Bill Gates is de stichter van Microsoft.
Bill Gates is de stichter van Microsoft.
Haar vader is Japanner.
Haar vader is Japanner.
vader [m] (de ~), papa [m] (de ~), ouwe [m] (de ~), vake, vaderen, pipa, paps [m] (de ~), pappie [m] (de ~), pap [m] (de ~), pa [m] (de ~), ouweheer, oudeheer {zn.}
vader [m] (de ~)
papa [m] (de ~)
ouwe [m] (de ~)
vake
vaderen
pipa
paps [m] (de ~)
pappie [m] (de ~)
pap [m] (de ~)
pa [m] (de ~)
ouweheer
oudeheer {zn.}
Wat doe je, papa?
Wat doe je, papa?
Hij is een vieze ouwe man.
Hij is een vieze ouwe man.
vader [m] (de ~), vaderfiguur [m] (de/het ~) {zn.}
vader [m] (de ~)
vaderfiguur [m] (de/het ~) {zn.}
Haar vader is groot.
Haar vader is groot.
Zo is mijn vader.
Zo is mijn vader.
vaderen {ww.}
vaderen {ww.}

ik vader
jij vadert
hij/zij/het vadert

ik vader
jij vadert
hij/zij/het vadert
» meer vervoegingen van vaderen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Zo vader, zo zoon.

Zo vader, zo zoon.

Zijn vader is Japanner.

Zijn vader is Japanner.

Haar vader is Japanner.

Haar vader is Japanner.

Haar vader is groot.

Haar vader is groot.

Zo is mijn vader.

Zo is mijn vader.

Mijn vader verwent me.

Mijn vader verwent me.

Mijn vader is bezig.

Mijn vader is bezig.

Mijn vader is dokter.

Mijn vader is dokter.

Dit is mijn vader.

Dit is mijn vader.

Mijn vader houdt duiven.

Mijn vader houdt duiven.

Mijn vader tuiniert zondags.

Mijn vader tuiniert zondags.

Haar vader is overleden.

Haar vader is overleden.

Hier werkt mijn vader.

Hier werkt mijn vader.

Ken je haar vader?

Ken je haar vader?

Uw vader is groot.

Uw vader is groot.


Gerelateerd aan Vader

vader - pater - God - heer - Heer - Onze-Lieve-Heer - Jahwe - schepper - opperheer - heiligmaker - de Schepper - Opperheer - Jehova - Jahweh - stichteropperwezen - persoon - familielid - type - bejegenen - doen