Vertaling van Vader
pater {zn.}
God
heer
Heer
Onze-Lieve-Heer
Jahwe
schepper
opperheer
heiligmaker
de Schepper
Opperheer
Jehova
Jahweh {zn.}
stichter
oprichter
grondvester
grondlegger {zn.}
papa
ouwe
vake
vaderen
pipa
paps
pappie
pap
pa
ouweheer
oudeheer {zn.}
vaderfiguur {zn.}
ik vader
jij vadert
hij/zij/het vadert
ik vader
jij vadert
hij/zij/het vadert
» meer vervoegingen van vaderen
Voorbeelden in zinsverband
Zo vader, zo zoon.
Zo vader, zo zoon.
Zijn vader is Japanner.
Zijn vader is Japanner.
Haar vader is Japanner.
Haar vader is Japanner.
Haar vader is groot.
Haar vader is groot.
Zo is mijn vader.
Zo is mijn vader.
Mijn vader verwent me.
Mijn vader verwent me.
Mijn vader is bezig.
Mijn vader is bezig.
Mijn vader is dokter.
Mijn vader is dokter.
Dit is mijn vader.
Dit is mijn vader.
Mijn vader houdt duiven.
Mijn vader houdt duiven.
Mijn vader tuiniert zondags.
Mijn vader tuiniert zondags.
Haar vader is overleden.
Haar vader is overleden.
Hier werkt mijn vader.
Hier werkt mijn vader.
Ken je haar vader?
Ken je haar vader?
Uw vader is groot.
Uw vader is groot.