Vertaling van aaneen
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
aaneen, achtereen, onophoudelijk {bw.}
aaneen
achtereen
onophoudelijk {bw.}
achtereen
onophoudelijk {bw.}
aaneen, bijeen, ineen, samen, tezamen {bw.}
aaneen
bijeen
ineen
samen
tezamen {bw.}
bijeen
ineen
samen
tezamen {bw.}
aaneen, aan één stuk door, in één ruk, ononderbroken {bw.}
aaneen
aan één stuk door
in één ruk
ononderbroken {bw.}
aan één stuk door
in één ruk
ononderbroken {bw.}
samen-, samen, aaneen-, co-, aaneen {zn.}
samen-
samen
aaneen-
co-
aaneen {zn.}
samen
aaneen-
co-
aaneen {zn.}
We lunchen vaak samen.
We lunchen vaak samen.
We hadden veel plezier samen.
We hadden veel plezier samen.