Vertaling van beloven
verzeggen
uitloven
toezeggen {ww.}
ik beloof
jij belooft
hij/zij/het belooft
ik beloof
jij belooft
hij/zij/het belooft
» meer vervoegingen van beloven
toezeggen {ww.}
ik beloof
jij belooft
hij/zij/het belooft
ik beloof
jij belooft
hij/zij/het belooft
» meer vervoegingen van beloven
voorspellen {ww.}
ik beloof
jij belooft
hij/zij/het belooft
ik beloof
jij belooft
hij/zij/het belooft
» meer vervoegingen van beloven
Voorbeelden in zinsverband
Je moet me iets beloven.
Je moet me iets beloven.
Je moet me alleen één ding beloven.
Je moet me alleen één ding beloven.
Wil je me beloven dat je me nooit zal verlaten?
Wil je me beloven dat je me nooit zal verlaten?
Ze beloven ons gouden bergen, maar ik heb zo het vermoeden dat we op de vervulling van die beloften kunnen wachten tot de dag dat Pasen en Pinksteren op één dag vallen.
Ze beloven ons gouden bergen, maar ik heb zo het vermoeden dat we op de vervulling van die beloften kunnen wachten tot de dag dat Pasen en Pinksteren op één dag vallen.