Vertaling van droog
droog {bn.}
droog {bn.}
uitdrogen
droogmaken
afdrogen {ww.}
ik droog af
jij droogt af
hij/zij/het droogt af
ik droog
jij droogt
hij/zij/het droogt
» meer vervoegingen van drogen
verdrogen
uitdrogen
opdrogen
droog worden
droogvallen {ww.}
ik droog
jij droogt
hij/zij/het droogt
ik droog
jij droogt
hij/zij/het droogt
» meer vervoegingen van drogen
droog
schraal {bn.}
kleurloos
monotoon
oninteressant
slaapverwekkend
suf
eentonig
droog
vervelend
dom
stom
saai {bn.}
sec
droog {bn.}
ik droog
jij droogt
hij/zij/het droogt
ik droog
jij droogt
hij/zij/het droogt
» meer vervoegingen van drogen
droogmaken {ww.}
ik droog
jij droogt
hij/zij/het droogt
ik droog
jij droogt
hij/zij/het droogt
» meer vervoegingen van drogen
Voorbeelden in zinsverband
Droog je tranen.
Droog je tranen.
Zij heeft droog haar.
Zij heeft droog haar.
Droog zand neemt water op.
Droog zand neemt water op.
Mijn hemd is nog niet droog.
Mijn hemd is nog niet droog.
Heren, doe de bril omhoog! Dames zitten ook graag droog.
Heren, doe de bril omhoog! Dames zitten ook graag droog.
Een gezonde geest kan niet leven in een droog lichaam
Een gezonde geest kan niet leven in een droog lichaam