Vertaling van groot
lang
rijzig {bn.}
volgroeid
volwassen {bn.}
groot
royaal
ruim
uitgebreid
uitgestrekt
wijd {bn.}
ik maak groot
jij maakt groot
hij/zij/het maakt groot
ik maak groot
jij maakt groot
hij/zij/het maakt groot
» meer vervoegingen van grootmaken
opvoeden
opleiden
grootbrengen
dresseren {ww.}
ik dresseer
jij dresseert
hij/zij/het dresseert
ik kweek
jij kweekt
hij/zij/het kweekt
» meer vervoegingen van kweken
adult
rijp
groot {bn.}
important
groot
belangrijk
zwaarwegend
significant
voornaam {bn.}
beduidend
considerabel
fors
merkelijk
aanzienlijk
flink
groot
hoog
belangrijk
knap
gevoelig
behoorlijk
heel {bn.}
breedgebouwd
fiks
flinkgebouwd
forsgebouwd
grofgebouwd
potig
robuust
zwaargebouwd
stevig
vierkant
flink
groot {bn.}
grootbrengen
opvoeden {ww.}
ik breng groot
jij brengt groot
hij/zij/het brengt groot
ik kweek
jij kweekt
hij/zij/het kweekt
» meer vervoegingen van kweken
ik houd groot
jij houdt groot
hij/zij/het houdt groot
ik houd groot
jij houdt groot
hij/zij/het houdt groot
» meer vervoegingen van groothouden
Voorbeelden in zinsverband
Haar vader is groot.
Haar vader is groot.
Deze honden zijn groot.
Deze honden zijn groot.
Zijn ze groot?
Zijn ze groot?
Hoe groot is het?
Hoe groot is het?
Uw vader is groot.
Uw vader is groot.
Dat huis is groot.
Dat huis is groot.
Het boek is groot.
Het boek is groot.
Het is te groot.
Het is te groot.
Dit is te groot.
Dit is te groot.
Meneer White's tuin is groot.
Meneer White's tuin is groot.
Ik heb een groot probleem.
Ik heb een groot probleem.
Omdat het te groot is.
Omdat het te groot is.
China is een groot land.
China is een groot land.
Deze kamer is groot genoeg.
Deze kamer is groot genoeg.
Hoe groot is uw familie?
Hoe groot is uw familie?