Vertaling van groot

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
groot {bn.}
groot {bn.}
groot, lang, rijzig {bn.}
groot
lang
rijzig {bn.}
groot, volgroeid, volwassen {bn.}
groot
volgroeid
volwassen {bn.}
breedvoerig, groot, royaal, ruim, uitgebreid, uitgestrekt, wijd {bn.}
breedvoerig
groot
royaal
ruim
uitgebreid
uitgestrekt
wijd {bn.}
groot (de ~) {zn.}
groot (de ~) {zn.}
Haar vader is groot.
Haar vader is groot.
Deze honden zijn groot.
Deze honden zijn groot.
grootmaken {ww.}
grootmaken {ww.}

ik maak groot
jij maakt groot
hij/zij/het maakt groot

ik maak groot
jij maakt groot
hij/zij/het maakt groot
» meer vervoegingen van grootmaken

kweken, opvoeden, opleiden, grootbrengen, dresseren {ww.}
kweken
opvoeden
opleiden
grootbrengen
dresseren {ww.}

ik dresseer
jij dresseert
hij/zij/het dresseert

ik kweek
jij kweekt
hij/zij/het kweekt
» meer vervoegingen van kweken

Mijn vader heeft als hobby het kweken van rozen.
Mijn vader heeft als hobby het kweken van rozen.
Ik wil goede groenten kweken, rijst, fruit enzovoort.
Ik wil goede groenten kweken, rijst, fruit enzovoort.
volwassen, adult, rijp, groot {bn.}
volwassen
adult
rijp
groot {bn.}
gewichtig, important, groot, belangrijk, zwaarwegend, significant, voornaam {bn.}
gewichtig
important
groot
belangrijk
zwaarwegend
significant
voornaam {bn.}
aardig, beduidend, considerabel, fors, merkelijk, aanzienlijk, flink, groot, hoog, belangrijk, knap, gevoelig, behoorlijk, heel {bn.}
aardig
beduidend
considerabel
fors
merkelijk
aanzienlijk
flink
groot
hoog
belangrijk
knap
gevoelig
behoorlijk
heel {bn.}
fors, breedgebouwd, fiks, flinkgebouwd, forsgebouwd, grofgebouwd, potig, robuust, zwaargebouwd, stevig, vierkant, flink, groot {bn.}
fors
breedgebouwd
fiks
flinkgebouwd
forsgebouwd
grofgebouwd
potig
robuust
zwaargebouwd
stevig
vierkant
flink
groot {bn.}
kweken, grootbrengen, opvoeden {ww.}
kweken
grootbrengen
opvoeden {ww.}

ik breng groot
jij brengt groot
hij/zij/het brengt groot

ik kweek
jij kweekt
hij/zij/het kweekt
» meer vervoegingen van kweken

groothouden {ww.}
groothouden {ww.}

ik houd groot
jij houdt groot
hij/zij/het houdt groot

ik houd groot
jij houdt groot
hij/zij/het houdt groot
» meer vervoegingen van groothouden



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Haar vader is groot.

Haar vader is groot.

Deze honden zijn groot.

Deze honden zijn groot.

Zijn ze groot?

Zijn ze groot?

Hoe groot is het?

Hoe groot is het?

Uw vader is groot.

Uw vader is groot.

Dat huis is groot.

Dat huis is groot.

Het boek is groot.

Het boek is groot.

Het is te groot.

Het is te groot.

Dit is te groot.

Dit is te groot.

Meneer White's tuin is groot.

Meneer White's tuin is groot.

Ik heb een groot probleem.

Ik heb een groot probleem.

Omdat het te groot is.

Omdat het te groot is.

China is een groot land.

China is een groot land.

Deze kamer is groot genoeg.

Deze kamer is groot genoeg.

Hoe groot is uw familie?

Hoe groot is uw familie?