Vertaling van harken

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
uitkammen, aanharken, opharken, harken {ww.}
uitkammen
aanharken
opharken
harken {ww.}

ik hark aan
jij harkt aan
hij/zij/het harkt aan

ik kam uit
jij kamt uit
hij/zij/het kamt uit
» meer vervoegingen van uitkammen

hark (mv. harken) {zn.}
hark (mv. harken) {zn.}
opharken, aanharken, bijharken, harken {ww.}
opharken
aanharken
bijharken
harken {ww.}

ik hark aan
jij harkt aan
hij/zij/het harkt aan

ik hark op
jij harkt op
hij/zij/het harkt op
» meer vervoegingen van opharken

hark [m] (de ~) {zn.}
hark [m] (de ~) {zn.}
hark [m] (de ~) {zn.}
hark [m] (de ~) {zn.}
hark [m] (de ~), geldhark {zn.}
hark [m] (de ~)
geldhark {zn.}


Gerelateerd aan harken

uitkammen - aanharken - opharken - hark - bijharken - geldharkbewerken - tuingereedschap - werktuig - persoon