Vertaling van heengaan
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
dood , overlijden , heengaan, verscheiden, sterfgeval {zn.}
dood
overlijden
heengaan
verscheiden
sterfgeval {zn.}
overlijden
heengaan
verscheiden
sterfgeval {zn.}
Dood?
Dood?
Dood het met vuur!
Dood het met vuur!
sterven, inslapen, heengaan {ww.}
sterven
inslapen
heengaan {ww.}
inslapen
heengaan {ww.}
ik zal heengaan
jij zult heengaan
hij/zij/het zal heengaan
ik zal sterven
jij zult sterven
hij/zij/het zal sterven
» meer vervoegingen van sterven
Wakker worden is het tegenovergestelde van inslapen.
Wakker worden is het tegenovergestelde van inslapen.
Er sterven dagelijks mensen.
Er sterven dagelijks mensen.
dood, overlijden , verscheiden, heengaan {zn.}
dood
overlijden
verscheiden
heengaan {zn.}
overlijden
verscheiden
heengaan {zn.}
De hond was dood.
De hond was dood.
De spin is dood.
De spin is dood.
sterven, inslapen, overlijden, creperen, versmachten, kapotgaan, heengaan, verscheiden, verrekken, peigeren, ontslapen, insluimeren, expireren {ww.}
sterven
inslapen
overlijden
creperen
versmachten
kapotgaan
heengaan
verscheiden
verrekken
peigeren
ontslapen
insluimeren
expireren {ww.}
inslapen
overlijden
creperen
versmachten
kapotgaan
heengaan
verscheiden
verrekken
peigeren
ontslapen
insluimeren
expireren {ww.}
ik zal creperen
jij zult creperen
hij/zij/het zal creperen
ik zal sterven
jij zult sterven
hij/zij/het zal sterven
» meer vervoegingen van sterven
Alle mensen moeten sterven.
Alle mensen moeten sterven.
Er sterven dagelijks goede mensen.
Er sterven dagelijks goede mensen.
gaan, vertrekken, weggaan, ophoepelen, opkrassen, wegwezen, moven, opsodemieteren, oprukken, oprotten, aftaaien, opstappen, heengaan, opkramen, opflikkeren, opduvelen, opdonderen, nokken, oplazeren, opmieteren, opbreken, afnokken {ww.}
gaan
vertrekken
weggaan
ophoepelen
opkrassen
wegwezen
moven
opsodemieteren
oprukken
oprotten
aftaaien
opstappen
heengaan
opkramen
opflikkeren
opduvelen
opdonderen
nokken
oplazeren
opmieteren
opbreken
afnokken {ww.}
vertrekken
weggaan
ophoepelen
opkrassen
wegwezen
moven
opsodemieteren
oprukken
oprotten
aftaaien
opstappen
heengaan
opkramen
opflikkeren
opduvelen
opdonderen
nokken
oplazeren
opmieteren
opbreken
afnokken {ww.}
ik zal afnokken
ik zou afnokken
jij zult afnokken
ik zal gaan
ik zou gaan
jij zult gaan
» meer vervoegingen van gaan
We gaan morgen vertrekken.
We gaan morgen vertrekken.
Ze gaan vertrekken naar New York.
Ze gaan vertrekken naar New York.