Vertaling van hen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
hen [v], kip [v] {zn.}
hen [v]
kip [v] {zn.}
Nou, dan neem ik kip.
Nou, dan neem ik kip.
De kip heeft vier eieren gelegd.
De kip heeft vier eieren gelegd.
hen [v] (de ~) {zn.}
hen [v] (de ~) {zn.}
Zal je hen helpen?
Zal je hen helpen?
Ik ken hen.
Ik ken hen.
hen, kip, huishen {zn.}
hen
kip
huishen {zn.}
Tom vindt dat het naar kip smaakt.
Tom vindt dat het naar kip smaakt.
Een kalkoen is iets groter dan een kip.
Een kalkoen is iets groter dan een kip.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Zal je hen helpen?

Zal je hen helpen?

Ik ken hen.

Ik ken hen.

We hielden hen stil.

We hielden hen stil.

Heeft de gevangenis hen veranderd?

Heeft de gevangenis hen veranderd?

Wie heeft hen tafelmanieren geleerd?

Wie heeft hen tafelmanieren geleerd?

Ik ken niemand van hen.

Ik ken niemand van hen.

Ik ken niemand van hen.

Ik ken niemand van hen.

Ieder van hen kreeg een prijs.

Ieder van hen kreeg een prijs.

Hij weigerde hen de informatie te geven.

Hij weigerde hen de informatie te geven.

Laten we het probleem met hen overleggen.

Laten we het probleem met hen overleggen.

Die vos moet de hen gedood hebben.

Die vos moet de hen gedood hebben.

Hij was zeer lief voor hen.

Hij was zeer lief voor hen.

Ik zag hen arm in arm lopen.

Ik zag hen arm in arm lopen.

Het is dik aan tussen hen.

Het is dik aan tussen hen.

Ik wou hen mijn waardering tonen.

Ik wou hen mijn waardering tonen.


Gerelateerd aan hen

kip - huishenhoen - wijfje - kip