Vertaling van klimmen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
klimmen, klauteren {ww.}
klimmen
klauteren {ww.}

ik klauter
jij klautert
hij/zij/het klautert

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt
» meer vervoegingen van klimmen

Apen klimmen in bomen.
Apen klimmen in bomen.
Een beer kan in een boom klimmen.
Een beer kan in een boom klimmen.
klimmen, stijgen, bestijgen, rijzen, naar boven gaan {ww.}
klimmen
stijgen
bestijgen
rijzen
naar boven gaan {ww.}

ik bestijg
jij bestijgt
hij/zij/het bestijgt

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt
» meer vervoegingen van klimmen

Niet op die ladder klimmen; hij is niet veilig.
Niet op die ladder klimmen; hij is niet veilig.
In een boom klimmen is voor een aap gemakkelijk.
In een boom klimmen is voor een aap gemakkelijk.
Klimmen {eigenn.}
Klimmen {eigenn.}
klimmen {ww.}
klimmen {ww.}

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt
» meer vervoegingen van klimmen

klimmen, stijgen {ww.}
klimmen
stijgen {ww.}

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt
» meer vervoegingen van klimmen

Het smelten van de poolkappen kan bijdragen aan het stijgen van het zeeniveau.
Het smelten van de poolkappen kan bijdragen aan het stijgen van het zeeniveau.
klimmen, stijgen {ww.}
klimmen
stijgen {ww.}

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt
» meer vervoegingen van klimmen

klimmen, omhoogklimmen {ww.}
klimmen
omhoogklimmen {ww.}

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt
» meer vervoegingen van klimmen

klimmen {ww.}
klimmen {ww.}

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt

ik klim
jij klimt
hij/zij/het klimt
» meer vervoegingen van klimmen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Apen klimmen in bomen.

Apen klimmen in bomen.

Een beer kan in een boom klimmen.

Een beer kan in een boom klimmen.

Niet op die ladder klimmen; hij is niet veilig.

Niet op die ladder klimmen; hij is niet veilig.

In een boom klimmen is voor een aap gemakkelijk.

In een boom klimmen is voor een aap gemakkelijk.


Gerelateerd aan klimmen

klauteren - stijgen - bestijgen - rijzen - naar boven gaan - Klimmen - omhoogklimmenvooruitgaan - verplaatsen - toenemen - voortbewegen