Vertaling van meester

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
meester [m], maëstro, grootmeester [m] {zn.}
meester [m]
maëstro
grootmeester [m] {zn.}
Het schilderij is het werk van een Nederlandse meester.
Het schilderij is het werk van een Nederlandse meester.
Een verstandige vogel kiest zijn boom. Een wijze dienaar kiest zijn meester.
Een verstandige vogel kiest zijn boom. Een wijze dienaar kiest zijn meester.
meester [m], licentiaat, magister [m], doctorandus [m] {zn.}
meester [m]
licentiaat
magister [m]
doctorandus [m] {zn.}
meester [m] (de ~), rechtsgeleerde [m] (de ~), wetgeleerde, jurist [m] (de ~) {zn.}
meester [m] (de ~)
rechtsgeleerde [m] (de ~)
wetgeleerde
jurist [m] (de ~) {zn.}
meester {zn.}
meester {zn.}
leraar [m], meester, onderwijzer [m], instructeur [m] {zn.}
leraar [m]
meester
onderwijzer [m]
instructeur [m] {zn.}
Ik ben ook leraar.
Ik ben ook leraar.
Hij is leraar.
Hij is leraar.
heer, baas [m], meester [m], patroon {zn.}
heer
baas [m]
meester [m]
patroon {zn.}
Waar is de baas?
Waar is de baas?
Mijn baas was gedwongen ontslag te nemen.
Mijn baas was gedwongen ontslag te nemen.
meester [m] (de ~), schoolmeester [m] (de ~) {zn.}
meester [m] (de ~)
schoolmeester [m] (de ~) {zn.}
meester, schaakmeester [m] (de ~) {zn.}
meester
schaakmeester [m] (de ~) {zn.}
baas [m] (de ~), meester [m] (de ~), leider [m] (de ~), meesteres [v] (de ~) {zn.}
baas [m] (de ~)
meester [m] (de ~)
leider [m] (de ~)
meesteres [v] (de ~) {zn.}
Laat hem zien wie de baas is!
Laat hem zien wie de baas is!
Ik heb met mijn baas geslapen.
Ik heb met mijn baas geslapen.
virtuoos [m] (de ~), meester [m] (de ~), meesteres {zn.}
virtuoos [m] (de ~)
meester [m] (de ~)
meesteres {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Het schilderij is het werk van een Nederlandse meester.

Het schilderij is het werk van een Nederlandse meester.

Een verstandige vogel kiest zijn boom. Een wijze dienaar kiest zijn meester.

Een verstandige vogel kiest zijn boom. Een wijze dienaar kiest zijn meester.