Vertaling van misbruik
wangebruik {zn.}
misbruiken {ww.}
ik misbruik
jij misbruikt
hij/zij/het misbruikt
ik misbruik
jij misbruikt
hij/zij/het misbruikt
» meer vervoegingen van misbruiken
misbruiken {ww.}
ik misbruik
jij misbruikt
hij/zij/het misbruikt
ik misbruik
jij misbruikt
hij/zij/het misbruikt
» meer vervoegingen van misbruiken
onteren
verkrachten {ww.}
ik misbruik
jij misbruikt
hij/zij/het misbruikt
ik misbruik
jij misbruikt
hij/zij/het misbruikt
» meer vervoegingen van misbruiken
abuseren {ww.}
ik abuseer
jij abuseert
hij/zij/het abuseert
ik misbruik
jij misbruikt
hij/zij/het misbruikt
» meer vervoegingen van misbruiken
Voorbeelden in zinsverband
De koning maakte misbruik van zijn macht.
De koning maakte misbruik van zijn macht.
Hij maakte misbruik van mijn onwetendheid en bedroog me.
Hij maakte misbruik van mijn onwetendheid en bedroog me.