Vertaling van ronken

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
ronken {ww.}
ronken {ww.}

ik ronk
jij ronkt
hij/zij/het ronkt

ik ronk
jij ronkt
hij/zij/het ronkt
» meer vervoegingen van ronken

ronken {ww.}
ronken {ww.}

ik ronk
jij ronkt
hij/zij/het ronkt

ik ronk
jij ronkt
hij/zij/het ronkt
» meer vervoegingen van ronken

snurken, ronken, snorken, knorren {ww.}
snurken
ronken
snorken
knorren {ww.}

ik knor
jij knort
hij/zij/het knort

ik snurk
jij snurkt
hij/zij/het snurkt
» meer vervoegingen van snurken

Tom hoorde Mary in de les snurken.
Tom hoorde Mary in de les snurken.
Als het op snurken aankomt kan niemand meneer Snurk verslaan.
Als het op snurken aankomt kan niemand meneer Snurk verslaan.
zagen, snurken, ronken, snorken {ww.}
zagen
snurken
ronken
snorken {ww.}

ik ronk
jij ronkt
hij/zij/het ronkt

ik zaag
jij zaagt
hij/zij/het zaagt
» meer vervoegingen van zagen

De zeelui zagen land.
De zeelui zagen land.
We zagen hem nergens.
We zagen hem nergens.


Gerelateerd aan ronken

snurken - snorken - knorren - zagenbrommen - bronzen - ademhalen - uitklinken