Vertaling van snurken
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
snurken, ronken, snorken, knorren {ww.}
snurken
ronken
snorken
knorren {ww.}
ronken
snorken
knorren {ww.}
ik knor
jij knort
hij/zij/het knort
ik snurk
jij snurkt
hij/zij/het snurkt
» meer vervoegingen van snurken
Tom hoorde Mary in de les snurken.
Tom hoorde Mary in de les snurken.
Als het op snurken aankomt kan niemand meneer Snurk verslaan.
Als het op snurken aankomt kan niemand meneer Snurk verslaan.
slapen, rusten, snurken, slapend, bronzen, meuren, pitten, maffen, knorren, keveren {ww.}
slapen
rusten
snurken
slapend
bronzen
meuren
pitten
maffen
knorren
keveren {ww.}
rusten
snurken
slapend
bronzen
meuren
pitten
maffen
knorren
keveren {ww.}
ik brons
jij bronst
hij/zij/het bronst
ik slaap
jij slaapt
hij/zij/het slaapt
» meer vervoegingen van slapen
Wij wonnen de bronzen medaille.
Wij wonnen de bronzen medaille.
Ga slapen.
Ga slapen.
zagen, snurken, ronken, snorken {ww.}
zagen
snurken
ronken
snorken {ww.}
snurken
ronken
snorken {ww.}
ik ronk
jij ronkt
hij/zij/het ronkt
ik zaag
jij zaagt
hij/zij/het zaagt
» meer vervoegingen van zagen
De zeelui zagen land.
De zeelui zagen land.
We zagen hem nergens.
We zagen hem nergens.
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Nederlands
Tom hoorde Mary in de les snurken.
Tom hoorde Mary in de les snurken.
Als het op snurken aankomt kan niemand meneer Snurk verslaan.
Als het op snurken aankomt kan niemand meneer Snurk verslaan.